WAT IS EEN GILDEKAMER?

Onder een gildekamer verstaan we een ruim­te, in een voor het gilde passende om­geving, waarin vrij en ongehinderd verga­deringen en feestelijke gildebijeenkomsten kunnen worden gehouden. 

"De schutters kwamen samen om te vergaderen of om voor of na het schie­ten iets te gebruiken". 

De gilden in onze regio bezaten over het alge­meen grond voor verschillende doeleinden. De eerste reden was grond te hebben voor de pachtopbrengst, de twee­de reden heeft een meer praktische aard en wel het heb­ben van een "schutsboogaert" die men ook wel "de doelen" noemt.

Ook het Eindho­vense gilde Sint Sebastiaan heeft doelen gehad. Hier konden de gildebroeders re­gelmatig oefenen in handboogschieten; 

"tot gerief van de schut­ters,om haer in de wapene te oefenen"

De rijkere stadsgilden, zoals het Sint Joris­gilde in Breda, De Oude Voetboog in 's-Her­togenbosch en het gilde van Sint Joris in Heusden hadden naast hun doelen ook een eigen gildegebouw. In dit gebouw was een feest/vergaderzaal, een aparte rookkamer en een woonruimte voor de gildeknecht. Achter het gildehuis was dan de tuin met doelen. Voor de plaats waar doe­len gebouwd konden worden waren de gil­den of schut­terijen meest­al afhankelijk van het stadsbestuur, zij kregen daar­om veelal een stuk grond in bruikleen toegewezen.

 

Wanneer de stad, voor stadsuit­breiding of andere doeleinden,  de grond nodig had kon het stadsbestuur de gil­den of schut­terijen dwingen te verhuizen, meestal naar de stads­rand. In die steden waar de gilden de grond in eigendom hadden bleven de doe­len op dezelfde plaats gevestigd. Ook werd een gildehuis op initiatief van het Amsterdamse stadsbestuur verbouwd; het gebouw kon dan ook regelmatig gebruikt worden voor ontvangsten, zoals die van Tsaar Peter de Grote, van belangrijke gasten of voor door het stadsbestuur georganiseerde maal­tijden. 

 

 
Men bouwde over het algemeen, zoals het schut­tershuis van de Sint Joris­doelen in den Haag, evenwijdig aan het toernooiveld. De afmeting was 16x8 meter en bestond uit twee bouwlagen. Op de begane grond bevonden zich de twee of drie vertrekken, op de bovenver­dieping was het schutterslokaal dat met 5 vensters uitzag over het toer­nooiveld.
Om het vloeroppervlak van de schutterslokalen zoveel mogelijk te benutten ziet men op verschillende plaatsen de trap naar boven ge­plaatst in een speciale buiten tegen het gebouw aangebouwde traptoren.
Soms was er met dit traptorentje iets bijzonders aan de hand. In Leiden had men daarin voor speciale gasten een eetkamer met een vloer ge­bouwd; 
 
"die met tafel ende gasten rontomme gedraeyd can werden: het welcke seer vermaeckelick is".
 
Deze traptoren kwam boven het gebouw uit zodat hij ook kon dienstdoen als uitkijk of wacht­toren. Ook in de traptoren van de doelen te Dordrecht had men in de jaren 1556-1558 een dergelijke dakconstructie gemaakt die de schutters "draay-om"  noem­de.
 
In de loop van de tijd hebben veel van deze schuttersdoelen hun functie door tijdsom­standigheden verloren, sommige van deze gebouwen zijn opgeofferd aan stads­uitbrei­ding. Anderen zijn gesloopt, waarna men op dezelfde plaats, zoals te Leiden in 1818-1820, militaire kazernes bouwde. Of ze blijven bewaard tot in het heden zoals o.a. te Haar­lem.  
 
Geraadpleegde werken:J.Th.M. Melsen,"De Ridderlijke Gilde van Sint Sebastiaan Eindhoven 1482-1982 - M. Carasso-Kok, J. Levy-van Ham, "Schutters in Holland, kracht en zenuwen van de stad”, uitgeverij Waanders Zwolle en Frans Halsmuseum, Willem Iver, Jan Bogaerts en Theo van Gerwen, "Schuttersgilden in Noord-Brabant”, uitgeverij Helmond