KODIJKO

DE START

Nu het gilde op een bedenkelijk dieptepunt was aangekomen moest er dringend wat gebeuren om het gilde een roemloze ondergang te besparen.
De gildeoverheid zoekt naar een goede nieuwe oplossing om te redden wat er van het gilde te redden valt.
Regerend deken Mathieu van der Voort komt er achter dat aan de Tongelresestraat, op Stratums gebied, een oud fabriekspand leeg staat, wel moet het te zijner tijd ge­sloopt wor­den.
Het betreft hier de fabrieksgebouwen van de Koninklijke We­verijen van Dijken Co (Kodijko).
 
 
Hij op­pert de gedachte om in ieder geval tijdelijk hiervan gebruik te maken; speciaal voor het houden van de repetities.
Een aantal gildebroeders bekijken het gebouw en zien wel perspectieven.
Na goedkeuring door de vergadering, wordt aan de gemeente Eindhoven toe­stemming gevraagd tijdelijk een gedeelte van het gebouw voor haar doeleinden te mogen gebruiken.
Een gedeelte was al in gebruik van DEMOS (studenten), AKSENT (jongeren) opgevolgd door de Zeeverkenners.
 
 
In oktober 1966 reageren Burge­meester en Wethouders van Eindho­ven positief op de aan­vraag van het gilde; we konden de sleutels gaan halen.
Had men voorheen het gebouw alleen aan de buiten­zijde gezien, bij de aanblik van de fa­brieksruimte werd de vreug­de zeer vlug getemperd, het was een donkere troos­telo­ze ruimte, een ruïne van puin, stof, ge­sloopte leidingen, rook en olie.
Binnen het gilde rijzen, vooral bij de oudere gildebroe­ders, ernstige bedenkingen tegen de haal­baarheid om van deze ruïne iets representa­tiefs te maken.
Maar jeugdig elan en enthousiasme hebben ten slotte de doorslag gege­ven.
Met vereende krachten hebben de jonge gildebroeders eind 1967 een begin gemaakt met de werkzaamheden om het gebouw op te knappen.
Voor enkele gilde­broeders ging een lang ge­koesterde wens, een eigen gildekamer, in vervulling.

 
Vele, vele en nog meer werkzaamheden zijn verricht zoals het verwijderen van elek­triciteits­leidingen voor sterk­stroom, het timmeren van houten luiken voor de ramen, er zijn sloopstenen opgehaald en gebikt in de bittere kou, er is gemetseld, er is elektriciteit aangelegd, geschilderd, een open haard gebouwd, enzovoort, enzovoort.
Het schilderen ging soms zelfs iets te spontaan want opeens was ook de hond van een gildebroeder geschilderd. Wat die gildebroeder thuis te horen heeft gekregen is niet geschikt voor publicatie, hij heeft nog net zijn huwelijk weten te redden, zijn lidmaatschap van het gilde was reddeloos verloren.
De totale startwerkzaamhe­den hebben bijna tien maanden in beslag genomen; het is een plezierige tijd ge­weest, met blije en bezige gildebroeders.
Met gepaste trots is onder overweldigende belangstelling op 11 mei 1968 de nieuwe gildekamer van het Sint Jorisgilde Stratum geopend door gil­devrouwe M. van Abbe-Hoffmann.
Dit ge­beurde met een welgericht schot op een roos in de deur. Daarna heeft onze Ere-Deken Pastoor Harks het gebouw ingezegend.
 
NIEUWE START GILDE
 
Na de officiële opening van de gildekamer kon men bij het gilde de aandacht weer volledig aan het gilde zelf besteden. 

De opbouw van de oude luister en glorie kon­den nu weer de aandacht krijgen die hard nodig was. 

Eerst moest orde worden gebracht in de attributen. 

Het inventarise­ren van de gilde-attributen bracht aan het licht dat heel veel gilde-materialen in de jaren bij van den Einden verloren waren geraakt, wij hebben de inventarisatie in ons bezit.

 

Maar!

Het gilde begon weer op te bloei­en, vijf nieuwe gilde-broeders meldden zich aan, een ongekende luxe na de vele bedankjes van de laatste jaren.


De repetities in trommen, bazuinblazen- en vendelen konden weer gehouden worden. 

Er was nu ook tijd voor gezelligheid in de nieuwe gildekamer, het beheer van het openhou­den werd verdeeld onder de gildebroeders. 

 
 
"ER ZAT WEER LEVEN IN HET GILDE"
 
Afbeelding invoegen
 
Afbeelding invoegen
 
Afbeelding invoegen

 

ONDER HOUD - EEN GEBED ZONDER EINDE
 
Wij als gilde hebben ons opperbest vermaakt in wat wij zelf noemden "het meest bruine café van Eindhoven”, anderen gebruikten weleens mindere kwalificaties.
Het was een gebouw dat door ons "klaargestoomd" was voor een zo spoedig mogelijke ingebruikname van ons gilde, men had na de tien startmaanden even "geen zin” meer in de verdere afwerking. Dat zou nog een gigantische klus blijven de komende (wat we toen nog niet wisten, uiteraard) 20 jaar, er was verschrikkelijk veel achterstallig onderhoud, er bleef constant veel aandacht nodig en het wel of niet aanpakken van onderhoud moest steeds bezien worden in het licht van mogelijke sloop op afzienbare termijn.
We zijn trouwens wel altijd achter de grote onderhoudsproblemen aan blijven hollen wat trouwens onze pret op deze plek niet bedorven heeft. Uren besprekingen zijn er over dat onderhoud geweest, vele pagina’s zijn er over volgeschreven en er zijn vele honderden uren door de gildebroeders ingestoken.
Drie belangrijke thema’s komen steeds weer in de notulen terug, 492? keer de toiletten, 285? keer het dak en ?tig keer het (schiet)terrein en heel wat over het beheer.
Van twee onderdelen, het terrein en het dak vertellen we hierna wat meer.

HET TERREIN 
 
Ook het buitenterrein is op een gegeven moment weer aan een opknapbeurt toe. Op het terrein en speciaal in het gras ligt weer zoveel "rotzooi" dat de plant­soenendienst niet langer van zins is er goed gereedschap aan te wagen, we moeten zelf maar zien hoe we het opknappen.
Maar! Wij zijn niet voor één gat te vangen en zeker gilde­broeder Jan Huijbers niet want hij heeft in 1982 voor het eerst vlak voor een kruisboog schietwed­strijd in eigen beheer het gras gemaaid, en hoe!

Thuis, op de boerderij van zijn vader, in Steensel, wist Jan een waarschijnlijk voor ons doel geschikte maaimachine te staan die niet meer in ge­bruik was. Hij heeft deze maaimachine, een Cormic, aan zijn vader voor het gilde gevraagd en gekregen. Het was een vooroorlogse (1940-1945) machine waaraan nog niets was gelast maar alles nog geklonken. Om die maai­machine te kunnen gebruiken was trekkracht nodig. Vroeger was dit een paard, maar Jan gaat met de tijd mee. Het paard wordt een sloopauto, een Toyota Corolla waarvan het dak is afgezaagd, trekkracht met een cabrio dus. 

Het zou een echte toeristische attractie worden:  achter het stuur van de cabrio zat Jan en op de maaimachine zat Toon Evers te schudden met op zijn hoofd een cowboyhoed. De auto moest  recht­streeks vanuit de accu, met het doorverbinden van twee draden bij het contactslot, gestart worden. De auto was daar­naast in een zodanige staat dat het een wonder mag heten dat er geen ongelukken mee gebeurd zijn, de auto had bijvoorbeeld geen remmen meer, remmen moest gebeuren met de grasmaai­machine.

 

Het maaien van het gras werd steeds op een mooie middag gedaan, voor de inwendige mens zorgde Mien, de vrouw van Toon Evers, zij kwam met koffie, Toon gooide er stiekem vanuit zijn binnenzak wel een borreltje in.

 

Kijk hieronder, een plaatje toch?


 

Aldus hebben de mannen bijna drie jaren het gras ge­maaid; toen wa­ren de koppelingsplaten van de auto "naar de knoppen" en de reparatie zou te duur gaan worden. Deze maaimachine is uiteindelijk in een museum (MEC) terecht gekomen, na deze geweldige combinatie zijn er nog 2 andere machines voor het maaien in gebruik genomen, maar het is nooit meer zo leuk geworden.

 

DE DAKEN

 
Het dak lekt op verschillende plaatsen en laat zichtbare vieze bruine lekkage strepen op de mu­ren door heel het gebouw achter.
In de hal is het lekken zelfs zo erg dat mossen aan de muren groeien, bij regenweer maakt het op een gegeven moment niet meer uit of je binnen of buiten staat. 
Het dak is al ver­schillende keren plaat­selijk gerepareerd, in april 1973 is de, tot op dat moment, laatste reparatie uitgevoerd, toch is er geen houden aan, het blijft steeds weer lekken, het is letterlijk dweilen met de kraan open. Ondertussen komt het hemelwater ook langs de muren bij de elektri­citeitskast naar beneden met alle gevaar voor kort­sluiting. Het lekt, het lekt en het lekt maar door. De buren Proloog en Stella Maris hebben hetzelfde probleem maar zij lossen het op; zij laten hun gedeelte van nieuw dakleer voorzien, zouden wij dat ook niet eens moeten doen? We schrijven dan 1978.
Hoewel iedereen deze reparatie dringend noodzakelijk vindt zeggen de gilde­broeders nog niet direct ja tegen dit voor­stel want steeds gaan er weer geruchten over de sloop van het gebouw en dan is investeren duur en zinloos dus moet eerst naar eventuele sloopplannen worden geïnformeerd. 
Wat een eventuele naderende sloop betreft lijkt er niks aan de hand te zijn, inmiddels is het in september 1980, maar bij "de studenten” is er zoveel te meer aan de hand.  
Voor hen wordt de situatie onhoud­baar, zij bezoeken de vergadering en geven uitleg over de slech­te woonsituatie met lekkage van het dak.
In het woongedeelte staan potten, pannen- en emmers om het water op te vangen zodat het gilde daar geen last van ondervindt.
 
"Alles wat aan de muren hangt rot weg en staat vol vocht­schimmels, in de ­slaapkamers is het nu zo erg vochtig dat er niets tegen de muur kan hangen en de kleren in de kast voelen zelfs klammig aan. Ja, zelfs de geur in huis is bedorven en ongezond”.
 
Dat wordt zelfs het gilde te erg en en met dank aan de studenten voor de potten, pannen, enzovoort gaat het gilde "slagvaardig” als altijd achter wat offertes aan. Die komen er en de offertes van de dakreparatie variëren van fl. 4.500 tot fl. 6.100, de laatste offerte wel inclusief  bekleden van de goten, nieuwe afvoeren en vergaarbakken.
Nieuwe af­voeren zijn ook nodig omdat ondertussen niet alleen de muren in de hal met schimmels en mossen bedekt zijn maar ook die van de gildekamer. Na wat onderzoek naar subsidies- en kostenverlagingen krijgt de gildeoverheid vrij mandaat van de leden tot maximaal fl. 3.000,-, dit op een kostenplaatje van fl. 4.000,- á fl. 4500, -. 
 
"De studenten moeten ook maar hun bijdrage doen".
 
De geplande dakreparatie wordt zo spoedig mogelijk uitgevoerd, toch zijn daarmee nog niet alle problemen opgelost, ook het dakglas moet nog worden vernieuwd. Want nu er nieuwe dakbedekking op het gebouw ligt moet ook nog het dak­glas worden ver­nieuwd en dit zal gebeuren door enkele gildebroeders. 
Winterse weersomstandigheden stellen deze werkzaamheden weer zodanig uit dat we in de notulen van juni 1982 lezen:
 
"We vieren vandaag precies het één­jarig jubileum van de bedoeling het dak te maken".
 
Het karwei is een maand later, tegen beta­ling, uitgevoerd, niet door de gildebroeders maar door een goedkope "klusjesman".
Maar dan de hal nog, het lekt hier zoals het nog nooit gelekt heeft, reden om met regenweer niet in de hal te komen, het is levensgevaarlijk, zelfs met parapluie. Dus ook gebruik maken van de hal voor repetities trom­men- of vendelen is totaal onmogelijk geworden
We worden in mei 1983 door Centraal Woning­beheer gesommeerd  het dak van de hal te repa­reren.

Want de buren hebben er last van. "De bu­ren" is het toneelgezelschap Proloog, die hun decors in de aangrenzende ruimte maken en opslaan, dus weer nieuwe offertes gevraagd, deze variëren van een noodreparatie van fl. 1.000 tot een compleet nieuw dak van fl. 6.500, je voelt al aankomen waar het gilde voor gaat kiezen, inderdaad beslist de vergadering:

 

"dat met het oog op de toekomst de noodreparatie van fl. 1.000 goed genoeg is”.

 

Het zou 4 à 5 jaar moeten helpen, dat moest genoeg zijn want intussen is het voor allen duidelijk gewor­den dat het gilde op niet al te lange termijn het pand "Kodijko" zal moeten verlaten. De noodzakelijke werkzaamheden worden nog wel gedaan, verder investeren in het gebouw is nu helemaal zinloos geworden, je ziet het gebouw steeds verder "de vernieling” in gaan, dit tot veler verdriet want:

 

"Het is toch een gildekamer geweest met een ge­heel eigen sfeer die velen in de toekomst zullen missen”

 

Afbeelding invoegen